KUNNEN DE GAVEN VAN DE GEEST VERVALST WORDEN?
Het juiste antwoord op deze vraag is buitengewoon belangrijk. Want veel mensen nemen maar aan dat iedere openbaring die op de gave van de Geest lijkt, ècht moet zijn. Toch waarschuwt de apostel Johannes ons rechtstreeks dat wij de geesten moeten beproeven, omdat niet iedere geest uit God is. (1 Joh. 4:1-3).
Jezus Zelf waarschuwt dat wanneer de dagen der grote verdrukking naderen, valse profeten zullen opstaan die grote tekenen en wonderen doen (Matth. 24:24).
Het boek Openbaring laat ons zien, dat er in die tijd demonische geesten zullen rondgaan, die wonderen zullen tonen en de gehele wereld zullen misleiden (Openb. 16:14).
Met het oog op deze waarschuwingen kan er geen twijfel over bestaan dat de gaven van de Geest nagebootst kunnen worden, met als resultaat dat sommigen, misschien wel velen, op een dwaalspoor gebracht zullen worden. Evenals in den beginne de stem van de slang Eva verleidde, gaat satan tot op deze dag door om met behulp van zijn valse profeten velen op wegen te lokken van bedrog en dwaling. Toch is er geen werkelijke verontschuldiging voor de mensen als ze door deze valse voorspiegelingen misschien verstrikt worden. De Bijbel geeft er ons volledige informatie over, hoe we onderscheid kunnen maken tussen het echte en het valse. Zij, die zich biddend toeleggen op de bestudering van Gods Woord, zullen nimmer het slachtoffer van zulk bedrog worden.
DE TOVENAARS EN MOZES
Misschien levert het levensverhaal van Mozes wel de treffendste illustratie van satans bekwaamheid om Gods werk te imiteren. God had de profeet gezag gegeven om een gericht te voltrekken over het land Egypte. De Here gaf Mozes het wonderteken van de staf en de slang. Toen Mozes de staf op de grond wierp, werd die een slang (Ex. 4:3). Dat was het teken dat Mozes en Aäron voor Farao moesten demonstreren, wanneer hij om een bewijs vroeg van hun autoriteit (Ex. 7:9). Mozes en Aäron gingen naar Farao, deden wat de Here hun opgedragen had, en de staf veranderde in een slang (vers 10). Maar de tovenaars wierpen ook hun staven neer en zie, die werden
ook slangen! (vers 11-12). Hoe was het dan mogelijk te zeggen welk wonder van God en welk van de duivel was? Merk nu op wat er gebeurde: Aärons staf verslond de staven van de tovenaars! Vandaag de dag zijn spiritisten en tovenaars in staat anderen door hun optreden op velerlei wijzen te bedotten, zelfs tot en met het omzetten van geest in stof, en omgekeerd. Toverij is de kunst van het verrichten van valse wonderen, zoals het stoffelijk en onstoffelijk laten worden van iets. Zulke zaken behoren echter niet tot de gaven van de Geest. Elia en Elisa brachten olie te voorschijn, maar de olie verdween niet in het niets; zij bleef om zegen te brengen. Olie die onstoffelijk wordt - in het niets verdwijnt - doet denken aan toverij. Goddelijke kracht verslond de staven der tovenaars. Toverij kan wel een scheppend wonder nabootsen, maar haar wonderen zijn bedrieglijk en niet echt. Satan bezit geen echte creatieve machten.
De tovenaars bleven hun toverkunsten verder beproeven. Aäron nam zijn staf, strekte die uit over de wateren van Egypte, en het water veranderde in bloed (Ex. 7:19-21). De tovenaars probeerden ook hun trucs. Ze konden de plaag niet tegenwerken, maar waren wel instaat om na te doen wat er gebeurd was.
Farao verhardde zijn hart en wilde zich niet bekeren, waardoor een nieuw gericht over hem kwam ? de kikvorsenplaag (Ex. 8:5-6). Opnieuw konden de geleerden door hun kunsten imiteren wat Mozes en Aäron gedaan hadden. Maar de voorraad van de hulpmiddelen der tovenaars raakte uitgeput. De volgende plaag was de muggenplaag. Daarbij faalden de tovenaars in hun pogingen de wonderen van Mozes na te bootsen. (Ex. 8:18-19).
De geleerden erkenden nu dat de oordelen Gods vinger waren. De verdorven, eigenzinnige Farao weigerde echter hardnekkig zich te bekeren of zijn gedragslijn te wijzigen.
Wat leren ons de tekenen , die de tovenaars deden? Ze verraden ons dat satan een zekere mate van macht heeft. Hij kan enkele van Gods genadegaven imiteren. Daarom moeten we op onze hoede zijn voor satans misleidingen. Niettemin is er een bepaalde grens aan wat satan doen kan. Hij is in geen enkel opzicht almachtig. Hij kan slechts tot zóver gaan.
MENSELIJK FALEN EN BOZE GEESTEN
Kunnen mensen die deze bovennatuurlijke gaven hebben, falen tegenover God? De mensen zijn geneigd te veronderstellen, dat iemand niet de verkeerde weg op kan gaan zo lang hij een gave openbaart. Sommigen schijnen daarin zelfs zó ver te gaan, dat ze denken dat hij praktisch onfeilbaar is. Hoewel we het ambt eer moeten bewijzen, is dit geen verontschuldiging voor ons om onze ogen te sluiten en ons onderscheidingsvermogen zodanig buiten werking te stellen, dat we niet in staat zijn het verkeerde te onderkennen. Een man die de bediening van Geestesgaven heeft is net zo verantwoordelijk tegenover God en mens als ieder ander. "
Dit is iets dat we dienen te begrijpen. Dat een man de verkeerde weg opgaat wil nog niet zeggen dat de gave van God niet langer door hem zal werken. Feitelijk wordt ons meegedeeld, dat "de genadegaven en.de roeping Gods onberouwelijk zijn" (Rom. 11:29). Dat is moeilijk te begrijpen voor de mensen. Ze menen dat wanneer iemand de verkeerde weg opgaat, de Geest van God dadelijk zal ophouden Zich in zijn leven te openbaren. Na verloop van tijd, ja, maar niet noodzakelijkerwijze onmiddellijk. Een man met een bediening van tekenen kan in feite ongehoorzaam aan God geworden zijn en tòch voor een tijd zijn bediening voortzetten. Dit wordt ons duidelijk afgeschilderd in het leven van Saul, die niet alleen koning van Israël was, maar ook de gave van het profeteren had ontvangen (1 Sam. 10:6-10).
Helaas had Saul een onstandvastig karakter. Eigenzinnigheid, jaloezie en een heftig temperament waren de kenmerken van een grillige natuur. Uiteindelijk verliet de Geest des Heren hem en nam een boze geest de leiding over. De bedienden van Saul bespeurden blijkbaar wat er aan de hand was en namen maatregelen om hem te verlossen. David, op wie de Geest des Heren gekomen was, werd in Sauls huis gebracht, en zolang hij op de citer (harp St.Vert.) speelde, week de boze geest van Saul (1 Sam. 16:14-16,23).
Niettemin begon, nadat David Goliath verslagen had, een geest van jaloezie aan Sauls hart te knagen, waardoor de deur geopend werd voor de terugkeer van de boze geest. (1 Sam. 18:10).
Onder de invloed van deze demon werd Saul werkelijk moordlustig. Hij zocht nu David te doden (vers 11-12). Van die tijd af had het kwaad de overhand in Sauls leven (1 Sam. 19:9).
DE GAVEN VAN DE GEEST EN EEN GODVRUCHTIG LEVEN
Dikwijls wordt aangenomen, dat iedereen in wie een Geestesgave tot openbaring komt, een heilig leven moet leiden. Zeker draagt iemand die zo uitverkoren is, een grote verantwoording voor de Here om een heilig en afgezonderd leven te leiden. Helaas zijn er, die echte gaven openbaren, en daarna tot zonde vervallen en zodoende verwarring stichten in het huis Gods. Wat de mogelijkheid betreft dat zulke dingen gebeuren, behoeven we niet verder te kijken dan de geschiedenis van David, de fijne psalmist van Israël, een man in wie de profetische gave op een bijzondere wijze werd geopenbaard, en wiens psalmen miljoenen mensen geïnspireerd hebben.
Toch maakte deze geïnspireerde schrijver zich schuldig aan een hoogst schandelijk wangedrag. Hij pleegde overspel met Bathseba, en om zijn daad verborgen te houden, zette hij een samenzwering op touw om haar man te doden. God vergaf David omdat deze diep berouw over zijn zonde kreeg. Maar de gevolgen van zijn daad gingen elke schatting te boven. In de eerste plaats werd daardoor schande over de zaak des Heren gebracht (2 Sam. 12:4). Ten tweede betaalde David de prijs voor zijn wandaad om zijn leven weer in evenwicht te krijgen. Ontrouw en verraad deden zich voor in zijn eigen huishouden. David behield de bediening van profetie (zie Psalm 51), maar betaalde een verschrikkelijke prijs voor zijn onbezonnenheid.
BILEAM
Bileam was een gehuurde profeet, maar hij was geen valse profeet Enkele van zijn profetieën horen tot de mooiste in de Bijbel. Overdenk eens zijn profetie over Christus (Num. 24:17).
Bileams hebbelijkheid was geldzucht. God verbood hem met Balak, de koning van Moab, mee te gaan, die hem de kinderen Israëls wilde laten vervloeken (Num. 22:12). Toch vroeg hij de Here weer toestemming om mee te gaan, omdat Balak hem rijkdom en eer beloofde. Maar het bracht Bileam noch rijkdom, noch eer. De profeet behield zijn positie als ziener, maar zijn bediening ontaardde in waarzeggerij en voorspelling (Joz. 13:22).
Was het de Geest van God, òf een misleidende geest, die verantwoordelijk was voor Bileams waarzeggerij? Voorspellen van de toekomst is, volgens Lev. 19:31 en Handelingen 16:16, het werk van "gedienstige geesten". Evenals bij koning Saul verliet de Geest Gods Bileam, en een boze geest nam Zijn plaats in.
SIMSON
Simson was een van de richters van Israël. Zijn geboorte was door een engel voorzegd. God had hem tot Nazireeër bestemd. Al vroeg in zijn leven begon de Geest van God hem aan te grijpen in Mahane-Dan, het kamp van Dan (Richt. 13:25; Richt. 14:6). Simsons grote, bovennatuurlijke kracht stelde hem in staat om Israëls vijanden in verwarring te brengen en op de vlucht te jagen. Zijn kleurrijke heldendaden zijn voor alle bijbellezers bekende verhalen.
Maar hij had één zwakheid, die hem noodlottig werd. Simson negeerde voortdurend zijn gelofte van heiligheid als Nazireeër. Hij ging op een avond naar een hoer in Gaza. Toch liet de gave van God hem niet onmiddellijk in de steek. Te middernacht droeg hij de deuren van de stadspoort naar de top van een berg tegenover Hebron (Richt. 16:1-3). Voor de oppervlakkige beschouwer lijkt het misschien of zijn onzedelijk gedrag door de Here door de vingers gezien werd. Maar God int niet altijd de rekeningen op de dag dat het kwaad bedreven is. Simson, moreel zwak geworden door zijn omgang met hoeren, stoeide nu met de verraderlijke Delila. Ten gevolge van haar verleidingskunsten liet Simson toe dat zijn haar werd afgeschoren. Toen verliet zijn kracht hem plotseling. Doordat hij opzettelijk met vuur gespeeld had, werd hij het slachtoffer van zijn dwaasheid. Met uitgestoken ogen onderging hij nu de schande, de molen te moeten draaien in de gevangenis van de Filistijnen. Helaas had de Here hem verlaten!
Jezus leerde, dat men iemands karakter niet moet beoordelen naar zijn gaven, maar naar zijn vruchten. Hij voegde eraan toe, dat op de dag des oordeels velen zullen zeggen dat ze geprofeteerd of zelfs krachten gedaan hebben, en dit als bewijs zullen aanvoeren dat ze ware gelovigen zijn. Toch zullen zij als werkers der wetteloosheid geoordeeld worden! (Matth. 7:21-23)
Wat is dan de juiste toets voor hen die ware volgelingen van Christus zijn? De Here laat ons hierover niet in twijfel verkeren. De echte toets ligt in de vruchten. (Matth. 7:15-17).
De gevolgtrekking is duidelijk. Zelfs al legt iemand misschien ongewone gaven aan de dag, toch moet men hem niet volgen, tenzij hij óók de vruchten toont.